Na zes weken in hun gezelschap zijn we weer alleen. Enkel de restjes paprika, kurkuma en gember herinneren ons nog aan hun aanwezigheid.

Na zes weken in hun gezelschap zijn we weer alleen.
Enkel de restjes paprika, kurkuma en gember herinneren ons nog aan hun aanwezigheid.
E, A, S en B zijn gisteren vertrokken. We hebben hen opgevangen tijdens de ramadan. Nu ja, iets langer.
Op de terugweg naar Brussel mompelde B enkele Ethiopische gebeden om de stilte te verdrijven.
Aan het park leken de omhelzingen inniger dan voorheen. Plots barstte ik in tranen uit. Zachtjes probeerden ze me te troosten.
Terug in de auto had ik wat tijd nodig om te bedaren en mijn tranen te drogen. Gewoonlijk zijn onze vrienden al lang opgegaan in de anonieme massa in het park tegen de tijd dat ik weer wegrijd. Vandaag echter niet. Bij het kruispunt wachten ze me op. Daar staan ze dan: alle vier, wuivend. Is het vaarwel of tot ziens? Wie zal het zeggen … Opnieuw krijg ik tranen in de ogen.

We vangen nu al bijna acht maanden vluchtelingen op. Het is een uitgemaakte zaak voor ons: we verwachten helemaal niets terug voor wat we doen.
Zij zijn ons niets verschuldigd, integendeel!
Wij zijn hun de gastvrijheid verschuldigd die Europa weigert te geven.
We zijn hun de menselijke erkenning verschuldigd die Europa hun ontzegt.
Ze verdienen onze bewondering omdat ze alles achter zich laten om ergens een waardig en vrij bestaan te proberen uit te bouwen.
Ze verdienen ons respect omdat ze hun leven wagen om naar Europa te komen, waarvan ze dachten dat het hen zou opvangen. Op alle Europese bankbiljetten prijken bruggen en vensters op de wereld, maar verder dan dat reikt de Europese gastvrijheid blijkbaar niet.
We zijn hun zelfs excuses verschuldigd voor het aandeel van de westerse landen in de chaos in deze wereld die hen onderdrukt.
We nemen er ook geen aanstoot aan als ze zich wat asociaal gedragen, humeurig zijn of protesteren. Een vluchteling heeft zo zijn redenen, waar wij met ons verstand niet bij kunnen.

Maar ook al verwachten we niets, toch krijgen we veel.
Als ik weer thuis ben, maak ik mezelf een kopje thee. Wat vind ik in de theepot? Twee kruidnageltjes … Op tafel ligt ook een brief van drie pagina’s lang in fonetisch Engels. Alweer kan ik mijn tranen niet bedwingen.
Uit discretie ga ik hem niet voor jullie vertalen. Ik kan echter wel verklappen dat er sprake is van liefde, respect, familie, verwantschap, herinneringen, uitwisseling en hoop.
Het doet me denken aan de woorden van Patrick Chamoiseau, die zich met zijn poëzie zo hard inzet voor het goede doel (Frères migrants – Seuil). Het is misschien niet voor niets dat onze wegen elkaar kruisen. We hebben dezelfde visie over de wereld van morgen. We delen dezelfde waarden met de vluchtelingen. Allebei maken we deel uit van dezelfde Mondialiteit. Een Mondialiteit die tegenover de Mondialisering staat, hoewel ze eruit is ontstaan. Ze werkt verstorend, brengt economische dogma’s, de immanente digitalisering en de alleenheerschappij van de winst aan het wankelen, en stelt stilaan de Mens opnieuw centraal. Misschien krijgen de begrippen Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap op een dag hun betekenis terug. Misschien beseffen onze leiders eindelijk dat we geen muren moeten optrekken om in Vrede te kunnen leven.

Onze vriendelingen zijn onze helden geworden. Ze komen vanuit Afrika en maken ons duidelijk dat de wereld waarin we niet meer durfden te geloven, écht bestaat. Samen met ons willen ze deze uitbouwen. Dat is hun geschenk. Een geschenk van onschatbare waarde. Een geschenk dat ons leven verandert.