Hen helpen hun waardigheid te behouden, is voor mij de enige manier om de mijne niet te verliezen.

“I’m now in UK. With my brother. Evrithg OK”.
De kleine J., 15 jaar.
Hij laat zich John noemen, maar zijn voornaam is eigenlijk veel ingewikkelder.
Vorig weekend was hij bij mij, samen met zijn grote broers uit Eritrea, Ethiopië, Nigeria en Libië.

Zijn vriend Théo D. had hem mij toevertrouwd.
Nog zo’n fantastische jongeman, een vriend van Chloe K., onze baby angel, die meewerkt aan Kot.Humain in Bergen.

De kleine J. kwam bij mij met een bolletje doorweekte kleren in een piepkleine zwemzak.
Twee T-shirts (maat 12 jaar), een jeans, een trui, slechts één paar kousen.
En een klein pubersnorretje.

Hij zei helemaal niets. Was te sterk onder de indruk.
Een verweesd kind.

De grote K. sprak Tigrinya tegen hem.
De katjes gaven hem kopjes.
Hij glimlachte na een lekker warme douche.
In droge, iets te grote kleren, begon hij te praten en zich te ontspannen.

J. voelde zich met de uren steeds beter thuis.
Hij volgde me twee dagen op de voet, trots op zijn talent als ‘little cooker’.
Hij glimlachte op de foto’s, de ‘bambino’, trots tussen zijn twee koppen grotere broers.

Kleine J. is dinsdag weer vertrokken.
Uitgerust, opgewarmd.
Nog meer vastberaden.
Ik heb hem aan grote K. toevertrouwd.
Hij heeft me met de hand op het hart gezegd: “Sister, I see you in UK”.
Ik hield mijn tranen in toen ik hem een slaapzak en wat wafels gaf.

Vijf dagen lang hoopte ik nieuws van hem te krijgen.
En vreesde ik voor een telefoontje vanuit een commissariaat of een centrum voor minderjarigen.

En dan kwamen zijn sms’jes. Zijn immense vreugde en zijn o zo lieve berichten.
De grote broers waren verbaasd: “Bambino, in UK? Are you sure, Kati? This young boy?”
De grote broers, zo blij voor hem.
En zo terneergeslagen.

Enkele dagen eerder was mijn ‘John Lennon uit Eritrea’, de kleine A., ook het Kanaal over geraakt, samen met twee andere zonnetjes, Baby Face S. en Y.
“My big sister … I arrive in England. I kan not forget you”.
De sympathieke Y. schreef: “I have no word to say 10Q. I wish all my best.”
Ze zijn zo erkentelijk, hoewel ze me zelf zo veel hebben gegeven.

Baby Face en de twee andere tieners schrijven me bijna elke dag.
Ze wachten op een antwoord op hun asielaanvraag, samen met andere minderjarigen uit de hele wereld.
Ze verblijven in een centrum waar ze eten en onderdak krijgen zoals het hoort.

Mijn lieve Bella stuurt me gezongen berichten vol genegenheid.
Ze heeft haar papieren gekregen en kan nu eindelijk werken.
En misschien op een dag het restaurant openen waarvan ze al zo lang droomt.

Koningin R. voedt haar kleine prinses op, die in extremis op Engelse bodem werd geboren. Ze stuurt me foto’s van deze geluksbaby.

Een ander duo, J. en A., hoopt ook op een verblijfsvergunning, hét ticket om een job te vinden.
Prinsessen R. en K., de vriendelijke A. en de twee F’en ook.
Allemaal wachten ze.
Nog steeds.

Langs deze kant van de grens beginnen mijn vrienden te wanhopen.
Ze wagen al maanden hun kans.
Vaak lachen ze hun wanhoop weg met een vleugje humor.

Maar soms durven ze toch te zeggen dat ze het moe zijn.
Vrijdagavond, uitgeput van een week onder de blote hemel, strijken ze doodmoe neer.

“I m not a gangster”, werpt M. op.
Ook een ‘under age’.
Hij vluchtte voor de milities in Libië, waar hij geboren is.
Hij vluchtte om niet zelf ingelijfd te worden, om niet gefolterd en afgeperst te worden.

M., 17 jaar, verlangt naar veiligheid.
Hij toont me hoe Belgische politieagenten spanbandjes te strak rond zijn polsen hadden aangespannen.
Hij legt uit dat hij ondanks alle risico’s naar Engeland zal gaan.
Hij bereidt er zich al op voor om opnieuw het deksel op de neus te krijgen.
Hij is het beu.
“Europa wil me niet”, zegt hij.
Hij heeft in Italië en Parijs gewerkt. Voor een paar miserabele euro’s.
In de UK wil hij marketing studeren. En geld in het laatje brengen voor zijn familie.
“Last week in UK. I hope, sister.”

Opnieuw een ‘biep’.
J. en A., een ander hecht duo, wagen na een weekend ‘bij de familie’ ook hun kans.
In de UK wil J. IT’er worden en A. kapper.
Het doet er niet toe, als ze maar kunnen werken.
Filosoof K., de aanhankelijke vrijdenker uit Ethiopië, wil neerstrijken “waar ze hem niet meer opjagen als wild.”
Ook hij heeft alleen nog maar het deksel op de neus gekregen.
Hij verbleef maandenlang in Duitsland, waar hij de taal leerde.
Tevergeefs.

Ik luister hoe ze hun dromen verwoorden in het Amhaars, Tigrinya, Arabisch en Hausa.
Hun niet-aflatende vastberadenheid maakt me sprakeloos.
Hun intelligentie.
Hun spierkracht die België niet wil.
Zo veel menselijk kapitaal dat we door onze handen laten glippen.
Uit angst.
Uit onwetendheid.
Vooral uit domheid.

Bijna een jaar geleden zette ik mijn deur open.
Die tientallen gezichten hebben allemaal een voornaam die ik niet mag vermelden, maar die ik ondertussen (bijna) kan uitspreken.
Ik ben geen enkele glimlach, stem, zang of dans vergeten.

Hen helpen hun waardigheid te behouden, is voor mij de enige manier om de mijne niet te verliezen.