Ik zal nooit meer enig kind zijn.

Ik ben enig kind, maar ik wilde altijd al een broer.

Met kerst vorig jaar heb ik ‘mijn eerste migranten’ ontmoet. Ik maakte vooral kennis met A., die al vlug een vriend en daarna als een broer voor mij was. We kregen na verloop van tijd een steeds hechtere band. Voor ons was het vanzelfsprekend. Wij behoorden tot dezelfde familie.

Vorige zomer vierde ik mijn verjaardag samen met mijn broer en twee vrienden. Nadat ik hen terug naar het park had gebracht, kreeg ik een sms. "Hello Marie! Our friends they want a family ... And they coming now from trying and if it's possible they stay with you this weekend." Ik was alleen thuis ... Oké M., ik vertrouw je. We gaan je vrienden niet buiten laten slapen. Het was een hele onderneming, maar ze raakten dan toch tot bij mij. En kijk, als vanzelfsprekend kreeg ik er nog een broer bij.

Ze komen uit hetzelfde land en zijn even oud. De ene is eerder raadselachtig, de andere vertelt veel. De ene is bedachtzaam, de andere volgt zijn gevoel. De ene heeft hele duidelijke plannen, de andere probeert van het leven te genieten. De ene is beschermend, de andere een lawaaimaker. De ene had tijd nodig om zich open te stellen, om zich te hechten, om een vertrouwensband op te bouwen. De andere zette één voet binnen en zei: “Jullie zijn mijn familie!” A. en N.

Ik zal nooit meer enig kind zijn.