Toen hebben we gelopen, gelopen, gelopen … En op de trein: stilte.

De getuigenissen volgen elkaar op, worden steeds talrijker en overstelpen soms mensen die misschien wel bang zijn om geraakt te worden, te voelen, te zien … En ik vrees dat ik nog veel dergelijke oproepen tot solidariteit zal moeten schrijven en posten, hoewel ik liever leuke, vrolijke en gelukkige verhalen zou schrijven. Teksten over een maatschappij die de ogen opent. Over liefde, gastvrijheid, ontmoetingen, gelijkheid …

Ja, ik zou liever receptjes uitwisselen. Ik zou je liever vertellen over de laatste film die ik gezien heb. Of over mijn grootmoeders margrieten die bijna in bloei staan in mijn tuintje.

Ik zou hier revolutionaire politieke boodschappen willen posten die de hulp op gang brengen. Ik zou willen vertellen over alles wat de welgestelden belangeloos aan de kwetsbaarsten onder ons hebben geschonken om het evenwicht in de wereld te herstellen.

Ik droom ervan om te schrijven over de invoering van wetten en projecten gebaseerd op de sociale economie en de kenniseconomie. Ik droom dat het Maximiliaanpark opnieuw een prachtig park vol bloemen is voor de buurtbewoners. Dat zou het bewijs zijn dat niemand nog moet hopen op een opvanggezin. En ja, ik bid tot alle goden, de aarde, de hemel en iedereen die de loop van het leven kan beïnvloeden, dat elke mens wordt gerespecteerd. Dat iedereen, waar dan ook, als een van ons zou gezien worden, ongeacht zijn afkomst, sociale stand, verschillen of gelijkenissen.

Gisteren ontmoette ik een van onze vrienden aan het Noordstation. Hij liep er verloren. Zijn traject leek hem mentaal getekend te hebben. Hij stapte op me af en zei dat hij wist dat ik Amhaars spreek. Ik glimlachte, want ik ken maar enkele woorden, waarmee ik uiteraard een gesprek aanknoopte. Hij was aangedaan. Hij ging er al huilend vandoor toen ik hem zei hoe mooi Ethiopië, zijn land, was. Maar hij kwam terug en ging naast me zitten, in stilte, alsof hij tot rust wou komen. En toen kwam mijn zoon erbij zitten. Zonder introductie keek hij de man aan, lachte liefdevol naar hem en zei hartelijk ‘salamlew’ (goeiedag in het Amhaars). Een lief gebaar dat recht naar mijn hart ging. Maar dat mooie moment bleef niet duren. Toen we naar onze trein vertrokken, hield mijn oudste (die in mijn moederogen nog altijd klein is) plots halt en zei: “We moeten hem helpen. Laten we hem gaan zoeken en bij ons thuis opvangen.” Ik kreeg een krop in de keel en zuchtte eens diep …

Ik legde mijn zoon uit dat ik me ervan had verzekerd dat de man hulp kreeg en de Humanitaire Hub, Brussels Refugees, kende, zodat hij niet alleen was. Dat ik mij niet de juiste persoon voelde om hem met zijn psychologische problemen of zenuwstoornis te helpen. Dat onze andere vrienden – intussen onze familie– thuis op ons wachtten. Dat hij even rond zich moest kijken: een vrouw haalde de vuilnisbakken leeg, een andere vrouw zat te bedelen, jongeren waren in een hoekje op zoek naar de beste wifiverbinding. We zouden ons huis in enkele seconden tot de nok toe kunnen vullen, wat we trouwens al gedaan hebben. Maar we hebben onszelf beloofd weer op krachten te komen, om te kunnen zorgen voor de mensen die er na al die maanden nog altijd zijn, om te waken over wie zal blijven, om opnieuw wat financiële zekerheid te verwerven, want ook dat is de realiteit … Al die mensen die blijven slapen, hebben ons veel centen gekost.

Ik zag de tranen in zijn ogen, maar hij kon zich bedwingen. Ook ik heb de tranen moeten verbijten. Toen hebben we gelopen, gelopen, gelopen … En op de trein: stilte.